Ziekenhuisopname
We reden de negenhonderd meter, met de ambulance van mijn huis naar het ziekenhuis.
In het ziekenhuis werd er een scan gemaakt en was er een trauma arts die, naar mijn gevoel, veel te rustig was en me op zijn gemak onderzocht.
Huub, mijn zoon, kwam binnen. Mijn vrouw Jantien had hem gebeld met de boodschap dat hij zo snel mogelijk naar het ziekenhuis moest komen. Hij zei niets maar hield de situatie rondom mij oplettend in de gaten. Ik maakte een grapje naar hem, om de gespannen sfeer wat te doorbreken. Jantien deed zo lief en luchtig mogelijk, maar ik merkte dat de sfeer gespannen was. Huub wist niet goed hoe hij moest reageren. Ik maakte nog een grapje, maar merkte dat wat ik zei niet goed geformuleerd was. Ik probeerde het nog eens, weer met hetzelfde resultaat. Ik kreeg de woorden op een of andere manier niet goed uit mijn mond. Ik besefte ineens dat het spreken me moeilijker afging.
De arts had kennelijk aan Jantien aangegeven dat wanneer er nog iets belangrijks tegen elkaar gezegd moest worden, het nu het moment was, later zou het misschien niet meer mogelijk zijn. Dat was kennelijk de reden dat Jantien Huub had gebeld om hem te laten komen.
Over vijf dagen was Huub jarig en hij had er naar uitgekeken. Dat was het enige waar ik op dat moment aan kon denken. Dit was voor mijn puber belangrijk. Een slaapfeestje met al zijn vrienden. Dat feestje moest doorgaan! Dat was het laatst wat ik kennelijk had gezegd.
Moeilijk
Ik was 53, getrouwd en had een zoon van toen 13, bijna 14 jaar oud.
Ik heb op 13 december 2023 een hersenbloeding gekregen in mijn linker hersenhelft, waardoor mijn rechterlichaamshelft uitviel. Mijn spraakvermogen viel totaal weg. Zelfs de woorden ‘ja’ en ‘nee’ lukten mij niet meer om te verwoorden. Ik had niet eens de tegenwoordigheid van geest om ‘ja’ knikken, of ‘nee’ te schudden, alsof al het begrip van taal was weggevallen. ‘Ja’ of ‘nee’, kwam niet in me op. Het enige wat ik heel langzaam kon zeggen was het woord: ‘Moeilijk.’ Dat zei ik kennelijk iedere keer na een lange aarzeling wanneer mij een vraag werd gesteld. Op zich een moeilijk woord, maar het was nog veel moeilijker om een antwoord te formuleren, vandaar waarschijnlijk het woord: Moeilijk. Ik weet het niet. Het was sowieso moeilijk om mijn brein op dat moment te doorgronden.
De nieuwe situatie die was ontstaan, onderging ik gelaten.
Jantien die twee keer per dag aan mijn ziekenhuisbed zat en probeerde zo vrolijk mogelijk te zijn en doen, kon zich geen voorstelling maken hoe het verder moest als wij niet meer op de gebruikelijke manier konden communiceren. Wat blijft er dan nog van onze relatie over? Vast veel, maar dat konden we nu nog niet overzien.
Herinneringen
Van de eerste twee weken in het ziekenhuis kan ik me maar weinig herinneren. Ik had op de intensive care gelegen en op de stroke unit. Daarna kreeg ik corona en lag ik te ijlen waardoor mijn bewustzijn verstoord en verward was. Vanaf de derde week in het ziekenhuis kan ik me een paar flarden herinneren.
Jantien en Huub die bij me op bezoek kwamen met oliebollen, gebakken door Huub, was er daar één van. Ze kwam nog steeds iedere dag, tweemaal per dag aan mijn bed zitten. Dat ze dat al twee weken lang had gedaan, wist ik niet. Mijn zoon die ondertussen 14 was geworden en waarvan ik de verjaardag had gemist, kon ik nu ook niet herinneren. Toen me dat achteraf verteld werd, werden het emotionele momenten, omdat ik mijn emoties niet meer de baas was. Verder herinner ik me een ergotherapeut die me had geholpen bij het natscheren waarbij we alle twee onder het scheerschuim kwamen te zitten. Dat vond ik wel grappig. Nog altijd ontstaat er een scheef lachje rond mijn mond als ik me scheer, niet door de verlamming, maar door de komische situatie die daardoor was ontstaan.
Mijn spraak was langzaamaan aan het terugkomen. Heel langzaam en met een zachte stem, begon ik de eerste, korte zinnen weer te vormen. In gedachten ging het een stuk beter en sneller, dan dat ik werkelijk de woorden kon uitspreken, maar dat had ik nog niet door.
‘Doe maar rustig aan,’ werd me steeds gezegd.
‘Langzaam, snel gaat niet,’ was daarop mijn vaste grap.
App
In die derde week werd het oud en nieuw. Jantien en Huub waren op bezoek geweest en zouden die avond bij mijn schoonmoeder doorbrengen. Ik keek vanuit mijn ziekenhuiskamer op de wijk waar ik woonde. Toen het twaalf uur werd en het vuurwerk boven mijn wijk losbarstte, wilde ik Jantien en Huub een appje sturen.
Met mijn goede hand pakte ik mijn mobiel. Ik had wel vaker mijn mobiel gepakt wanneer Jantien belde. Dan hoefde ik maar op één knopje te drukken om op te nemen. Na het gesprek hing Jantien op, zodat ik niets meer hoefde te doen.
Nu moest ik dus alles zelf doen.
Het eerste probleem: Hoe krijg ik dat ding aan? Geen idee. De kleinste vanzelfsprekendheden waren weg. Met de bloeding weg gestroomd, dacht ik. Ik weet niet hoe ik het deed, maar de mobiel ging aan en het lukte me om de code te ontrafelen en bij het ‘app-scherm’ te komen. Het duurde zeker twintig minuten voordat ik eindelijk zover was om mijn nieuwjaarswens aan Jantien en Huub te sturen. Ik was de wens al half in mijn hoofd aan het vormen en begon te schrijven.
Geveliasraraart
Hi gort bnz joehoe
Het lukte niet. Het was totale onzin. Ik wist de letters niet meer in de juiste volgorde te plaatsen. Ik had werkelijk geen idee wat ik moest doen! Ik zag wel dat het fout was, maar kon niet zeggen wat er fout aan was.
Ik had altijd veel geschreven, lange en korte verhalen en nu was zelfs een simpel appje niet te doen. Mijn ogen vulden zich met tranen en bij Jantien gebeurde kennelijk hetzelfde toen ze het berichtje had ontvangen en las. Dit ging dus ook niet meer.
Ik moest nog drie dagen wachten voordat ik opgenomen kon worden in het revalidatiecentrum Heliomare in Wijk aan Zee. Daar kon ik onder andere aan mijn spraak gaan werken. Voor mij op dit moment het belangrijkste. Mijn rechterzij lag slap naast me in bed, daar was niets meer aan te doen, dacht ik. Dus voor mij, op dat moment was spreken en het opnieuw leren om naar woorden te zoeken, het belangrijkste. Belangrijker dan lopen, leek mij. Spreken en schrijven kan ik ook in bed of vanuit een rolstoel.
Eén van de laatste dingen die ik moest doen in het ziekenhuis, was een test bij een logopediste. Ik moest in twee minuten zoveel mogelijk dieren opnoemen. Het was super lastig! ‘Koe,’ bracht ik uit omdat er een schilderij van een koe op de kamer hing. ‘Kat’ en ‘hond’ wist ik ook nog uit te brengen. Maar dat was het dan wel.
‘Je hebt geen dier uit Afrika genoemd,’ zei de logopediste na afloop van de test.
Helemaal niet aan gedacht.
Later die dag deed ik niets anders dan categorieën van dieren bedenken die ik kon opnoemen als nog iemand de vraag stelde: Noem zoveel mogelijk dieren in twee minuten. Ik zou en moest de logopedistencode kraken zodat ik de test in het vervolg zou doorstaan. Maar het ging ‘langzaam’ en het was ‘moeilijk.’