Afspraak
In de revalidatiekliniek Heliomare in Wijk aan Zee, reed ik de eerste week van mijn verblijf een beetje doelloos rond in mijn op maat gemaakte rolstoel. De hoogte van de stoel was afgesteld op de lengte van mijn onderbenen zodat ik, met één been, kon trippelen door de, in mijn ogen, lange gangen.
De eerste oefeningen waren op de afdeling zelf. Met mijn goede linkerhand, moest ik mijn verlamde rechterarm in beweging brengen, in de hoop dat hij gestimuleerd werd om mee te doen. Ik had er een hard hoofd in, maar toch deed ik zo goed mogelijk mijn best. Als ik maar hard genoeg mijn best deed, dan kon niemand mij wat verwijten, dacht ik. Al was het niet voor mij, dan moest ik er alles aan doen wat in mijn mogelijkheid lag om zo goed mogelijk uit deze situatie te komen voor mijn vrouw en mijn zoon.
Met mijn zoon, Huub, die in het tweede jaar van de middelbare school zat, maakte ik de afspraak dat ik mijn stinkende best zou doen, bij de fysio, logo en al het overige wat me aangereikt werd. Hij zou op zijn beurt, op school, hetzelfde doen.
Lotgenoten
Naast dat er een aantal patiënten al een behoorlijke tijd in Heliomare rond leken te hobbelen, of zich in een rolstoel voortbewogen, waren er gelijk met mij nieuwe patiënten gekomen. Of ‘slachtoffers,’ maar dat zei ik niet hardop. Niet meteen. Later bleek dat er over en weer behoorlijk wat grappen gemaakt konden worden, om de moed erin te houden, om niet alles zo serieus te nemen, en simpelweg om het plezier. Op onze afdeling hadden de meeste mensen een halfzijdige verlamming, al dan niet gecombineerd met een afasie. Dat schept toch een band.
Ik kon, vond ik, best wel weer redelijk praten, al was mijn spraak nog niet helemaal terug. Ten eerste sprak ik heel zacht en daarnaast kon ik op heel veel woorden niet meer opkomen, alsof ze uit mijn hersens waren gewist: ctrl-alt-delete, weg. Woordvindproblemen noemden ze dat. Ik vond het een fantastisch woord: Woordvindproblemen. Iedere keer als ik weer eens niet op een woord kon komen, dan zei ik: ‘woordvindproblemen,’ en kon er vervolgens hard om lachen. Maar het was wel heel vervelend. Naast alle lichamelijke ongemakken, waren er heel wat lotgenoten die in meer, of mindere mate last hadden van een vorm van afasie. Het communiceren werd daardoor aardig bemoeilijkt, maar je merkte dat je er niet alleen voor stond. Ook al was het lastig, frustrerend zelfs, maar je kon op begrip rekenen.
Logopedie
Naast alle lichamelijke therapieën als fysiotherapie, ergotherapie, looptraining, arm/hand training, stroke fit, fitness en zwemmen, kreeg ik logopedie. Iets waar ik erg op zat te wachten. Ik hield van schrijven. Lange en korte verhalen. Momenteel schreef ik hoofdzakelijk korte verhalen over mijn zoon. Vanaf dat Huub geboren was, schreef ik één, á twee verhalen per week. Allemaal leuke momenten. Dat viel nu in het water.
Bij de eerst logopediesessie gaf ik aan dat het voor mij erg belangrijk was dat ik weer kon schrijven. Dat werd genoteerd, maar eerst gingen we testjes doen. Kijken hoe het gaat en wat ik allemaal wel en niet kon. Ik kreeg plaatjes te zien en moest deze benoemen. Best kinderachtig, dacht ik. Maar ik maakte nog best wat fouten. Zo zei ik ‘huis’ bij een plaatje van een deur. Ik zat wel in de goede richting, maar zag mijn fout niet in. Het ging wel langzaam beter, maar voor mijn gevoel ging het wel erg langzaam. In de weken die volgden, kreeg ik regelmatig dezelfde afbeeldingen onder ogen en op een gegeven moment zag ik wat ik fout deed. Langzaam kwam het begrip van taal weer terug. Maar de woordvindproblemen bleven me achtervolgen.
Schrijven met hindernissen
De logopedisten lieten mijn filmpjes omschrijven. Dat varieerde van grappige tekenfilmpjes tot de even komische reclamefilmpjes van Centraal Beheer. Ik leerde opnieuw wat hoofdzaak en bijzaak was, aanleiding en clou. Mijn voornemen om weer te schrijven, was in eerste instantie misschien een te hoog doel, maar ik wilde het toch proberen. Mijn broer, die een verstandelijk beperking heeft en sommige zaken komisch kan samenvatten zou het omschrijven als: Schrijven met hindernissen!
Het eerste verhaal schreef ik op een blocnote na alle therapieën, alleen op mijn kamer. Gelukkig was ik linkshandig en hoefde niet eerst met mijn andere hand te leren schrijven. Dat was een voordeel.
Het rare aan mijn woordvindproblemen was, dat de woorden die ik zocht wel tevoorschijn kwamen in het Engels of in het Duits. Toen ik weer uit het revalidatiecentrum was ontslagen, zocht ik de woorden tijdens het schrijven op in Google Translate. Ook de site Synoniemen.net had me enorm geholpen als ik een woord niet precies wist, maar wel ongeveer.
Ik moest leren geduld te hebben. Dat was niet altijd makkelijk. Deed ik voorheen ongeveer anderhalf uur over een verhaaltje van 800 woorden, nu deed ik er zes uur over, verdeeld over drie dagen. Na twee uur schrijven, ‘ploeteren,’ was ik echt moe en moest ik serieus gaan rusten.
Tijdens een gesprek met Jantien zei ik meestal: ‘Hoe heet het ook al weer?’ en dan gaf ik haar een aantal synoniemen, waarna zij me het juiste woord gaf. In gesprekken met bijvoorbeeld een arts in het ziekenhuis, liet ik Jantien vaak het woord doen, omdat dat gezien de korte tijd die voor een consult was ingepland, dat vaak het doeltreffendste was. Bovendien kon ze beter onthouden wat er gezegd werd. Onze huisarts was altijd heel geduldig. Bij hem voelde ik me altijd begrepen en gehoord. Dat was fijn.
Huub, onze lieve puber van 15, was ook altijd heel geduldig met me. Als ik zei: ‘Hoe heet het ook alweer?’ en ik de gebruikelijke synoniemen opsomde al een soort quizvraag, gaf hij me niet het verlossende antwoord, maar bleef hij rustig wachten. Als ik dan nogmaals vroeg: ‘Zeg eens, hoe heet het ook al weer?’ zei hij: ‘Pap, je weet het wel.’ Ik moest dan meestal erg om hem lachen, want hij had gelijk. Meestal vond ik het woord wel, ergens in de krochten van mijn geheugen. Het is blijven oefenen, blijven proberen, blijven doen.
Logopedistencode
Een half jaar na mijn hersenbloeding, kreeg ik nog drie herseninfarcten. Hoewel die gevolgen hadden op mijn lichamelijk herstel, hadden die nauwelijks gevolgen voor mijn afasie. In het ziekenhuis kreeg ik weer precies dezelfde test als voorheen. Noem zo veel mogelijk dieren in twee minuten tijd. Ik wist dat deze test ging komen. In tegenstelling tot de eerste keer, was ik nu voorbereid. Kom maar op, dacht ik. Ik ging allerlei diergroepen systematisch af. Boerderijdieren: Koe, schaap, varken, kat, hond. Vogels: mus, merel, mees, meeuw. Vissen: Paling, haring, kibbeling… bij die laatste schoot ik in de lach omdat ik door had dat kibbeling geen vissoort was. Ik ging snel verder met dieren uit de zee, uit Afrika, slangen en apensoorten, waarbij ik als laatste ‘Bokito’ noemde. De logopediste moest lachen en had mijn techniek waarschijnlijk door. Maar voor mijn gevoel had ik de logopedistencode gekraakt door hun test te saboteren. Ruim twintig verschillende dieren had ik weten te benoemen. Ik was met vlag en wimpel geslaagd. Tegelijkertijd wist ze dat ik een handigheidje had gebruikt, maar dat ik het ook nog wist toe te passen.
Blijven oefenen
Blijven oefenen was ondertussen een motto in mijn leven geworden. De lichamelijke oefeningen die ik moest doen, zeker na iedere terugval na een herseninfarct, waren best zwaar en moeilijk vol te houden. Mijn vorderingen omtrent mijn afasie gingen nog steeds vooruit, al ging het langzaam en vallen die iedere keer weer tegen als ik, aan het eind van de dag, moe wordt. Gelukkig heeft Jantien aan een half woord genoeg en snapt ook Huub dat hij mij dan niet tot het uiterste moet testen. Maar over het algemeen ben ik blij dat ik zover ben gekomen. Naast mijn fysiotherapeuten, die ik gekscherend mijn persoonlijke beulen noemde, ergotherapeuten, verpleging en iedereen die aan mijn herstel hebben gewerkt, wil ik daarom mijn logopedisten bij Heliomare én de logopediste daarna bedanken voor hun tomeloze inzet bij het volbrengen en behouden van mijn grootste wens: schrijven.